Aanhetwoord.com

Journalisten over hun werkwijze en ambities

October 28th, 2008

Kennis is macht

Robert Haagsma (44)
Freelance Muziekjournalist sinds 1990
Ooit werkte hij op een kantoor. Maar de liefde voor muziek en de weerzin tegen een baan van negen tot vijf, zorgden er begin jaren negentig voor dat Robert Haagsma besloot zijn kansen te wagen als freelance muziekjournalist. Inmiddels schrijft hij voor Aardschok en Revolver en interviewde hij de Mick Jaggers van deze planeet.

robert2.jpg

Jij wilde als kleine jongen al muziekjournalist worden?
‘Nee hoor, ik ben al wel van jongs af aan erg geïnteresseerd in muziek, maar het kwam nooit in me op dat je daar je geld mee kon verdienen. Ik heb netjes de bibliotheekacademie gevolgd en belandde op een kantoor. Dat beviel helemaal niet. Werken voor een baas die ook nog van je verwacht dat je tussen negen en vijf aanwezig bent; het was niks voor mij. Ik heb er geen enkel bezwaar tegen om in een drukke periode 70 uur per week te werken, maar wel omdat ík daartoe besloten heb. Uit die onvrede over mijn baan en mijn fascinatie voor muziek, vloeide het idee voort om om freelance over muziek te gaan schrijven.’

En toen?
‘Toen moest ik vanaf nul beginnen. Ik schreef al wel voor een blaadje van een plaatselijk radiostation, maar had verder geen opleiding tot journalist gevolgd. Met vallen en opstaan ben ik begonnen. Een van de eerste bladen waarvoor ik schreef was, jawel, Metalshot. Ik verstuurde mijn artikelen per post en deze werden vervolgens door een licht dyslectische jongen overgetikt. De eindredactie bestond er dus uit dat mijn verhalen met meer fouten geplaatst werden dan in mijn eigen versie stonden.’

Toch ben je niet bij het niveau van Metalshot blijven steken. Hoe ben je verder gekomen?
‘In het begin deed ik dus maar wat, maar ik was wel kritisch op mezelf. Ik wilde echt leren. Wat me enorm geholpen heeft, was mijn beslissing om me bloot te stellen aan een omgeving waar professionele eisen aan mijn verhalen gesteld zouden worden. Via via ben ik zo in 1996 bij het Algemeen Dagblad terechtgekomen. De eerste stukken die ik daar inleverde, kwamen echt vol doorhalingen retour. Zeker in het eerste half jaar was dat doorbijten, maar ik heb daar nooit moeilijk over gedaan. Ik wilde leren.’

En wat heb je geleerd?
‘Onder andere om de lezer meteen bij z’n lurven te grijpen. Bij een verhaal in de krant is het belangrijk dat de lezer bij de eerste zinnen wordt gegrepen. Vaak zit er een crux in een interview, een moment waarom de rest eigenlijk draait. Ik stopte dat vaak in de een-na-laatste alinea, terwijl je er juist mee moet beginnen. Een tweede les was schrappen, hoe moeilijk dat ook is. Sommige journalisten weten heel veel of denken veel te weten. Ze stoppen dat allemaal in een tekst met als resultaat een topzwaar verhaal dat niet leuk is om te lezen. En dat is uiteindelijk toch enorm belangrijk in de muziekjournalistiek: hetgeen je schrijft moet leuk zijn om te lezen.’

Hoe schrap je dan?
‘Ik probeer de situatie terug te halen en ga na wat mij het meest is bijgebleven. Op welk moment in het gesprek veerde ik op? Dat is het meest belangrijk en zo weet ik welke passages wegkunnen.’

Bestaan er manieren om met leuke verhalen thuis te komen?
‘Ja, ik denk het wel. Je kunt een interview gewoon als vraag-antwoord-gesprek opschrijven, maar ik heb ook altijd oog voor de omgeving en de omstandigheden. Ik kom immers back-stage, in hotels en kleedkamers waar de lezer niet komt. Van dat wat daar gebeurt, wil ik iets overbrengen. Hoe zit iemand erbij? Hoe is zijn lichaamstaal? Hoe praat iemand? Een gebeurtenis zegt soms meer dan een heel gesprek. David Coverdale van Whitesnake praat bijvoorbeeld enorm bekakt, terwijl hij een heel gewone jongen is. Een gewone jongen die zich aristocraat waant en zo is gaan praten. Dat zegt veel over die man.’

robert1.jpgAls popjournalist heb je onherroepelijk te maken met artiesten die al vele malen zijn geïnterviewd. Hoe ga je hiermee om?
‘Soms heb ik geen keuze en moet ik het doen met de situatie zoals die is. Na afloop van Round Table gesprekken (gesprekken waarbij een artiest tegelijk door een aantal andere journalisten interviewt wordt) staat m’n tape regelmatig vol met geneuzel, omdat een Duitse journalist wilde weten in welke toonsoort een B-kantje uit 1967 is opgebouwd. Door tijdens zulke momenten oogcontact te zoeken met de artiest en vragen te stellen die hout snijden, probeer ik er nog iets van te maken. Maar de meeste Round Tables zijn gewoon verschrikkelijk.’

En wat doe je als je de dertiende journalist bent die op een dag een inmiddels vermoeide artiest mag interviewen? Hoe onderscheid je je van die twaalf die je voor waren?
‘Door te laten doorschemeren dat ik mijn huiswerk heb gemaakt. Dat lukt lang niet altijd. Maar als ik laat zien dat ik echt belangstelling heb en letterlijk weet waar iemand vandaan komt, wil dat het ijs nogal eens breken. Dat doe ik niet op een slijmerige manier, ofzo. Ik laat gewoon subtiel blijken dat ik weet wat ze gedaan hebben. Vooral bij oudere artiesten merk ik dat ze het op prijs stellen wanneer ze zien dat ik op de hoogte ben van hun invloeden en eerdere werk. Als ze merken dat hun verhaal in de juiste context valt, vertellen ze vaak veel meer details.’

Dat betekent dus goed voorbereiden?
‘Ja, ik vind voorbereiding erg belangrijk. De mensen die ik interview, zijn vaak al heel lang bezig en ze zijn daar trots op. Ik neem ze daarin serieus. Bij een groot verhaal draai ik dus uren muziek en lees ik veel over desbetreffende artiest of band. Ik probeer niemand te paaien, maar geloof wel in het spreekwoord dat je met honing meer vliegen vangt dan met azijn. Met oprechte belangstelling en goede vragen zijn zelfs de meest lastige artiesten te interviewen.’

Zoals? Welke ontmoeting met schiet er nu direct door je hoofd?
‘Ritchie Blackmore (oud-gitarist van Deep Purple en Rainbow). Hij staat bekend om zijn zwartgallige karakter en zijn talent om met iedereen ruzie te maken. Maar ik beschouw hem ook als één van de beste gitaristen van de wereld, net onder Jimi Hendrix. Hij intrigeerde me enorm en midden jaren negentig kreeg ik daadwerkelijk het aanbod om hem in Duitsland te interviewen. Het gesprek zou aan het begin van de avond plaatsvinden en als Ritchie Blackmore het leuk vond, kon het de hele avond doorgaan. Maar als hij het niks vond, kon het vrij snel weer afgelopen zijn. Toen wist ik dat ik hem moest overdonderen met wat ik van hem weet.’

En toen?
‘Toen heb ik drie dagen in de voorbereiding gestoken. Op zijn nieuwe plaat, uit die tijd, hoorde ik oude rock ’n roll themaatjes die hij ooit, nog onder een andere naam, op een paar singeltjes had gebruikt. Ik heb lijntjes getrokken tussen dat oude en nieuwe werk. Toen ik hem daarmee in de eerste vijf minuten van het gesprek confronteerde, was hij volledig om. We hebben tot diep in de nacht zitten praten en hij heeft zelfs nog een uur gitaar voor me gespeeld. Ik kon hem alles vragen. Met zes kantjes vol vragen heb ik dat dus ook gedaan.’

Hoe kom je op ideeën voor verhalen?
‘Voor een deel ben ik afhankelijk van platen die uitkomen, want dan zijn artiesten bereikbaar voor interviews. Maar ik kom natuurlijk ook zelf op ideeën. Het idee voor mijn boek Vinylfanaten had ik al langer. Vooral omdat ik zelf muziek verzamel, maar ik werd ook geprikkeld door de documentaire Vinyl (waarin filmer Alan Zweig laat zien welke weinig vrolijkmakende invloed verzameldrift kan hebben op platenverzamelaars). Ik realiseerde me na het zien van die film dat de verhalen soms in je eigen omgeving voor het oprapen liggen. Ik kende de gesprekken immers ook van verzamelaars die hun collectie boven hun vriendin verkiezen. Zulke verhalen wilde ik neerzetten en dat mocht best scherp. Het hoefde niet te gezellig te worden. Verder haal ik ook ideeën van internetfora. Je kunt daar goed peilen hoe er over muziek gedacht, geschreven en gepraat wordt. Een erg goede site is www.stevehoffman.tv. Daar wordt op een goed niveau over muziek gesproken. Dat inspireert mij.’

Waar haal je verder je inspiratie vandaan?
‘Uit de Engelse muziekbladen Q, Mojo en Record Collector. Vanaf de cover tot de laatste pagina nodigen ze uit tot het kopen en luisteren van muziek. Je krijgt er echt trek van.’

Is dat ook jouw doel met jouw verhalen?
‘Deels, maar ik wil lezers niet zozeer platen laten kopen. Ik wil ze enthousiast maken. Ik wil de mensen en de muziek waarover ik schrijf tot leven laten komen. Het mooiste vind ik het wanneer iemand na het lezen van mijn artikel, denkt ‘de volgende keer wanneer ik die en die plaat opzet, heeft deze meer diepgang.’ En dan kom ik weer terug op het beschrijven van een situatie, want daardoor komt een artiest vaak mooi tot leven. En daar streef ik naar.’

Je zit inmiddels bijna twintig jaar in het vak. Wat had je twintig jaar geleden willen weten wat je nu weet?
‘Dat het niet allemaal zo keurig en binnen de lijntjes hoeft. Ik heb dit jaar Dave Mustaine van Megadeth geïnterviewd en in dat interview immiteert hij een vrouwelijk geslachtsdeel met een tros bananen. Vroeger had ik dat niet durver te gebruiken, bang om wat mensen ervan zouden denken. Straks vonden ze mij nog een perverseling, ofzo. Nu opende en eindigde ik het artikel met die bananen. Ik ben veel losser en denk vaker ‘Fuck it, ik schrijf het gewoon op.’ Die losheid had ik eerder willen hebben. En ik had eerder willen weten hoe belangrijk een accountant voor je kan zijn.’

Hoe bedoel je?
‘In de eerste jaren deed ik mijn eigen belanstingaangiftes. Pas na een paar jaar kwam ik er achter dat ik allerlei kortingen misliep. Mijn start als freelancer was daardoor moeilijker dan eigenlijk nodig was. Ik heb mijn administratie toen ondergebracht bij een goede accountant die de schade met terugwerkende kracht heeft kunnen herstellen. Nederland is nog steeds geen land dat freelancers en andere zelfstandigen erg gunstig gezind is. Ik kan dus iedereen aanraden die voor zichzelf begint: ga in zee met een goede accountant of boekhouder. Het bespaart je veel geld. En tijd. Het is iets dat ik veel eerder had moeten doen.’

Print This Post Print This Post




Laat een reactie achter

Journalisten aan het woord:

Kort