Strijken is schrijven
Wat doe je precies voor De Groene Amsterdammer?
‘Ik schrijf op freelancebasis uiteenlopende artikelen voor het blad. Mijn hoofdportefeuille is Den Haag.’
Hoe geef je hier vorm aan?
‘Het is niet zo dat De Groene mij opdrachten geeft. Dat gaat in samenspraak en veel van de onderwerpen draag ik zelf aan. Ik zie het als mijn taak om in de gaten te houden wat er in Den Haag gebeurt. Soms dwingt de actualiteit me tot een bepaald artikel. Als Verdonk en Rutte ruzie maken, moet je daar iets mee doen. Soms komt een artikel voort uit iets waaraan ik me erger, zoals een artikel dat ik schreef over privacy. Soms is het een combinatie. Toen Rita Verdonk haar nieuwe partij lanceerde, had ik me net verdiept in partijfinancieringen en was daarbij een paar vreemde punten tegengekomen. Dat was hét moment om daar iets mee te doen.’
Hoe ga je te werk als je een onderwerp hebt?
‘Dat ligt er aan. Ik zoek vaak dingen op in de bibliotheek of op Google. Daar is inmiddels ook enorm veel te vinden. Misschien niet meteen het antwoord op je vraag, maar wel waar je die wel kunt vinden. Ik houd van een brede vraagstelling, omdat je dan dingen tegenkomt waarvan je het bestaan niet wist. En dingen die je niet wist, kun je ook niet vinden. Ik lees, bel of zoek in het weekend nog verder. Het nadenken over een verhaal, het broeden, gebeurt ook in het weekend. Maandag is mijn schrijfdag. Tenzij dat door omstandigheden niet lukt.’
Wat gebeurt er op die maandag?
‘Het trechteren van alle informatie doe ik gaandeweg, maar maandag moet alles op papier komen. Het is elke keer weer spannend of het lukt. Het bedenken van de opbouw en structuur van een verhaal gaat de ene keer beter dan een andere keer. Bij mij hangt het af van de kop. Zolang ik die niet heb, weet ik niet welke kant ik op wil. Omdat ik niet kan stilzitten en nadenken, ga ik vaak strijken om mijn gedachte te ordenen.’
Pardon?
‘Ja, vooral in de winter werkt dat prima. Ik krijg het op die manier lekker warm en tijdens het strijken valt vaak het kwartje. Dan weet ik hoe ik moet beginnen en wat ik wil zeggen. Mijn strijkplank staat express dicht bij mijn computer.’
Heb je, voordat je gaat strijken, je vergaarde informatie al geordend?
‘Ja. Ik geef al mijn pagina’s met aantekeningen een nummer en zet vervolgens letters bij verschillende thema’s. Tijdens interviews gebruik ik grote A4-collegeblokken waarvan ik alleen de rechterpagina gebruik. De linker is dan vrij om later aantekeningen op te maken. Zo breng ik orde aan die nodig is om te schrijven. Soms maak ik de opzet voor het verhaal in mijn hoofd, soms op een vel. Dat moet dan wel een leeg vel zijn, het liefst één waarvan op de achterkant al iets is geprint. Dat is allemaal bijgeloof.’
En dan? De was is gestreken, je zit achter de computer. De cursor knippert op een lege pagina.
‘Ik wil altijd met de kop beginnen. Soms heb ik hem al voordat ik ga zitten. Soms niet. Als het niet lukt om een kop te bedenken, begin ik met de intro waaruit dan toch echt de kop moet voortkomen. Als de kop en intro staan, concentreer ik me op de eerste zinnen. Daarmee probeer ik de lezer toch opnieuw het verhaal in te trekken. Vervolgens probeer ik de ene zin logisch op de andere te laten volgen. De ene keer gaat dat moeizamer dan de andere keer. Schrijven is dan ook denken. Schrijver E.M. Forster heeft ooit gezegd: ‘Hoe kan ik nou weten wat ik denk? Dan weet ik toch pas als ik schrijf?’ Dat houd ik mezelf dan maar voor.’
Schrijf je in één keer door?
‘Ik loop weleens weg van de computer. Dreutelen noem ik dat. Dan zit ik vast en ga ik even op mijn balkon zitten, geef de planten water of zet het strijkijzer weer aan. Het verhaal mist dan nog logica en eenheid. Nadenken over het vervolg van het stuk en de naderende deadline zorgen ervoor dat ik toch weer verder moet en dus ga. Er zijn journalisten die in één keer alles op papier gooien en dan gaan ordenen. Ik metsel steen voor steen aan mijn verhaal. Ik houd niet van vuile tekst en heb dus ook geen flarden tekst onder mijn artikel hangen. Alles moet schoon zijn.’
Wat doe je als je tekst af is?
‘Dan print ik het uit en laat ik het mijn partner lezen. Die kriebelt altijd nog ter zaken doende opmerkingen in de kantlijn. Dat verschilt van spelfouten tot onduidelijke argumenten. Met die aantekeningen en weer een frisse blik, rond ik het artikel op dinsdagochtend af. Ik kan het stuk ook dinsdag ’s middags inleveren, maar ik stel er eer in, en maak er een wedstrijd van om het voor tienen te verzenden. Als de eindredactie binnenkomt bij De Groene Amsterdammer, ligt mijn artikel in hun mailbox.’
Zijn er woorden die, volgens jou, bijna altijd uit een tekst kunnen?
‘Plastic woorden, zoals de Duitse taalkundige Uwe Pörksen ze noemt. Dat zijn woorden als management, communicatie en proces. Het zijn inwisselbare, lege woorden. Je kunt schrijven het management van het communicatieproces, maar ook het proces van het communicatiemanagement. Ook woorden zoals en toen en bijvoeglijke naamwoorden kunnen vaak weg. Het regent heel hard, nou, het regent hard is ook duidelijk. Verder is een lijdende zin niet altijd erg. Sommige mensen hebben een hekel aan het woord wordt, maar bij een zin als ik word geleefd, is dat toch echt wat er moet staan. Schrijven is, zeker dan, geen wet van Meden en Perzen.’
Welk wijze raad ben je nooit vergeten?
‘Blijf onafhankelijk. Dat drukte mijn toenmalige hoofdredacteur Cas van Houtert me op het hart toen ik voor de krant een jaar naar Den Haag vertrok. Ik denk dat hij ermee bedoelde dat ik zelf moest blijven nadenken en kijken. Zo heb ik het in elk geval opgevat. Niet meegaan met de waan van de dag. Niks is namelijk makkelijker dan een minister naar beneden schrijven of bejubelen, omdat dit de trend is. Ik probeer me er nog steeds aan te houden.’
Print This Post
