De tasjes van Westerterp
In je dankwoord tijdens de uitreiking van de Aad Struijs Prijs gaf je aan het belangrijk te vinden om als hoofdredacteur ook te blijven schrijven. Waarom vind je dat belangrijk?
‘Omdat ik het goed vind om mijn hoofd te blijven breken over de manier waarop je een verhaal kunt vertellen. Tijdens het schrijven, maar ook daarvoor, kom je hobbels tegen. Wat wil ik precies vertellen? Hoe doe ik dat? Wat is belangrijk en wat kan weg? Door daar als hoofdredacteur mee bezig te blijven, kan ik beter meedenken met redacteuren. Daarbij vind ik het voor de uitstraling en toon van het blad ook goed wanneer de hoofdredacteur meeschrijft. Een hoofdredacteur heeft toch een beetje een voorbeeldfunctie.’
De jury roemde je reportage onder andere vanwege de opzet. Je had gekozen voor een indeling als film waarbij je de reis in acht scènes vertelt. Hoe ben je op die invalshoek gekomen?
‘Het idee om het verhaal zo te vertellen, ontstond op de reis zelf. Het voelde namelijk echt als een rare film waarin ik was beland. Ik kon mezelf door die aanpak precies zo neerzetten zoals ik het daar ervoer; als raar mens tussen een veelheid aan indrukken. Je hoeft jezelf natuurlijk niet altijd op de voorgrond te zetten, maar in dit geval vertelde het precies het juiste verhaal. Ik vind het bedenken van bijzondere invalshoeken erg belangrijk. Je geeft daarmee net een andere draai aan een onderwerp en dat verrassen, dát is je taak als blad.’
Maar die invalshoeken worden toch gewoon bepaald door de organisatie van de persreizen waar je onderdeel van uitmaakt?
‘Ik ga bijna nooit mee met persreizen. We krijgen bij Zin en Felderhof zo’n honderd aanbiedingen per jaar, maar we selecteren altijd alleen dat wat echt leuk, echt bijzonder of echt verrassend is. En dan bel ik op om te zeggen dat ik niet meewil met het reguliere programma. Waarom niet? Omdat die trips niet representatief zijn. Je scheurt dan in een uur langs alle hotspots terwijl een vakantieganger dat nooit op die manier zal doen. Ik trek dus mijn eigen plan en bedenk, soms ter plekke, mijn invalshoeken.’
Hoe maak je aantekeningen op reis?
‘Ik houd een dagboek bij met de bestemming als onderwerp. Interviews neem ik op tape op en ik heb altijd een kladblokje bij me. Ik verzamel ondertussen alle folders en boekjes die ik tegenkom. Al die informatie stop ik in een plastic tasje en zo organiseer ik mijn reizen. Ik heb wel honderd tasjes staan, allemaal van een andere bestemming.’
En hoe werk je een tasje uit tot een prijswaardig verhaal?
‘Ik laat een verhaal altijd bezinken. Minimaal een week, maar vaak ook langer. Soms schrijf ik een verhaal zes maanden na thuiskomst. Ik begin door mijn tasje van het desbetreffende land erbij te pakken. Vervolgens ga ik weer door alle aantekeningen en andere verzamelde bladen, folders, briefjes en foto’s heen. Ik maak een collage van die informatie, maar begin dan meestal nog niet met schrijven. Ik ben een Deadline Pusher, dus ik stel het echte schrijven nogal eens uit. Ik broed ondertussen wel op het verhaal en denk na over wat ik wil vertellen en hoe ik dat het beste kan doen. Dat denken gebeurt overal en zo kan het gebeuren dat ik in de auto zit en opeens de kop en intro bedenk.’
Hoe schrijf je?
‘Ik begin met de kop en intro, daarna schrijf ik alles op wat ik wil zeggen. Dan eindig ik altijd met veel te veel woorden. Door te schrappen, maak ik het verhaal korter en spannender. Ik houd daarbij steeds in mijn achterhoofd wat ik nu precies wil vertellen. Het uitschrijven van de eerste versie kost me zo’n zes uur en ik wil dat altijd het liefst in één keer doen. Als dat eenmaal is gebeurd en ik weet dat het verhaal staat, laat ik het liggen om er de volgende dag met een frisse blik naar te kijken. Dat maakt het schrappen ook makkelijker, omdat ik dan meer afstand heb en beter kan zien wat overbodig is. Het opnieuw wegdromen en herbeleven tijdens het uitwerken, het schrijven en schrappen, vind ik het leukst aan het maken van reisverhalen.’
Zes uur aan een stuk doorwerken, dat lijkt me als hoofdredacteur van twee bladen lastig in te plannen.
‘Klopt, daarom schrijf ik meestal in het weekend. Dat betekent wel dat ik een gebroken weekend heb, maar dat is nu eenmaal de prijs die ik betaal voor het maken van reisverhalen. Toch zit ik ook veel te dralen, hoor, als ik moet schrijven. Dan weet ik dat ik het af moet maken, maar begin ik toch niet. Ook omdat ik weet dat als ik eenmaal begin, ik niet meer kan en wil stoppen. Dat vooruitschuiven gaat nooit over, ook al is het zonde van mijn tijd. Maar misschien is het ook wel ergens goed voor. Misschien is het wel nodig om het verhaal te laten rijpen.’
Zit je wel eens vast in een verhaal?
‘Zelden. En als het gebeurt, komt het omdat ik steeds word onderbroken. Zo herinner ik me een verhaal over Zuid-Afrika. Ik kreeg het niet geschreven. Het lukte niet. Ik heb toch iets ingeleverd, ook al was ik niet tevreden. Achteraf kwam het doordat ik veel te druk was. Ik kon geen tijd vinden om er echt lang aan te zitten en schreef dus steeds een uurtje, wanneer dat kon. Toen ik, later, wel de rust had om alles te overzien, zag ik pas wat ik had moeten doen om het verhaal goed te vertellen. Stom, stom, stom. Maar ik heb er wel van geleerd dat je echt de tijd moet nemen om stil te staan bij een verhaal, wil je het goed vertellen.’
Waaraan voldoet een goed reisverhaal?
‘Het moet duidelijk zijn dat er is nagedacht over de manier waarop je een veelheid aan indrukken wilt presenteren. Dus niet ‘en toen, en toen, en toen’. Er moet logica in de opbouw zitten. Daarnaast vind ik het belangrijk dat het een positief verhaal is. Je moet als lezer zin krijgen om naar die plek te gaan waarover je leest. Natuurlijk zal het bij veel mensen alleen bij dromen blijven, maar juist daarom moet de lezer de reis in zijn hoofd kunnen beleven. Is een reis niet leuk of niet bijzonder? Schrijf er dan niet over. Wat heb ik aan een zuur verhaal? In een column kan ik daar nog om lachen, maar in een reisverhaal vind ik dat niet gepast.’
Hoe zorg je er als (reis)journalist voor dat je thuiskomt met die informatie die verrast of overtuigt?
‘Door door te zetten. Een goed verhaal komt niet vanzelf. Er zijn journalisten die gewoon goed kunnen schrijven, maar verder geen moeite doen. Dat haat ik. Je moet willen verrassen, je moet willen werken. Als je de informatie niet krijgt die je nodig hebt, zoek je verder, net zolang tot je het hebt. Ik heb tijdens een reis in Nieuw-Zeeland het hotelpersoneel om hulp gevraagd, omdat ik een Maori zocht met een geheel, traditioneel getatoeëerd gezicht. En die vond ik. Dat is geen toeval, maar het resultaat van gefocused zoeken naar iets waarvan je weet dat het bestaat.’
Hard werken in ver land waar anderen vakantie te vieren. Hoe zorg je ervoor dat je dan toch geniet?
‘Allereerst door te beseffen dat het maken van een reisverhaal iets anders is dan vakantie vieren. Het is werk en soms gaat er daardoor veel langs je heen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat je er niet van kunt genieten. Soms zit ik op een terrasje, in het buitenland, me bewust te zijn van de situatie waarin ik verkeer. Ik zit daar maar mooi wel, op dat terras.’
Is de reisjournalistiek met de jaren veranderd?
‘Ja, de werkdruk is hoger, er is minder tijd om een verhaal te maken en er is minder geld. Vroeger had je grote redacties en kon een journalist vier weken op reportage. Tegenwoordig is het motto vaak: tempo, tempo. Dat komt de kwaliteit vaak niet ten goede. Jammer, want het leven is al zo snel en gejaagd. Het zou fijn zijn om mensen af en toe achterover te laten leunen met een diepgravend verhaal. Maar het snelle werken heeft ook voordelen. Het dwingt journalisten om te kiezen. Niet meer heel San Francisco beschrijven, maar alleen een bepaalde wijk. Het selecteren van de juiste, kleine dingen is ook een sport.’
Hoofdredacteur van twee bladen, winnaar van de Aad Struijs Prijs, regelmatig op reis voor je werk. Staat er verder nog iets op je verlanglijstje?
‘Ja, ik hoop zo’n bijzonder verhaal tegen te komen dat ik er een boek over kan schrijven.’ Ik ben twee keer in m’n leven heel dicht bij echt bijzondere mensen geweest. Ik zie het verhaal, maar heb het nog niet geschreven. Ooit… En ik blijf zoeken. Ik geloof dat er nog genoeg verhalen bestaan die verteld moeten worden.’
Print This Post
